Post
     

Sneakpreview: In het diepe - Estelle Maskame



Kan jij geen genoeg krijgen van de boeken van Estelle Maskame? Dan hoef je gelukkig niet lang meer te wachten tot haar nieuwe boek uitkomt! 22 november verschijnt In het diepe. Máár als je daar niet op kan wachten, wat wij helemaal begrijpen, kan je hier alvast het eerste hoofdstuk lezen!

1

Ik heb nooit begrepen waarom maandag de ergste dag van de week wordt genoemd. Daar ben ik het absoluut niet mee eens. Zondagen zijn het ergst. Die hebben iets rustigs en vredigs, waar ik echt een hekel aan heb gekregen. Misschien komt het doordat het halve dorp ’s morgens naar de kerk gaat, terwijl de andere helft een poging doet een stoofschotel te maken, het opgeeft en later een afhaalmaaltijd bestelt. Dat is bij mij thuis tenminste meestal het geval. Of misschien komt het doordat de helft van de kinderen van onze school thuis zit om op het laatste moment nog al hun huiswerk af te krijgen dat ze tot dan toe hebben uitgesteld, en de andere helft de hele dag in de Dairy Queen hangt omdat je hier nergens anders naartoe kunt. Wij horen bij die laatste helft.
    ‘Wil je er nog een?’
    Tot nu toe had ik niet in de gaten dat ik zat te suffen. Moeizaam stop ik met staren naar het tafelblad, kijk knipperend met mijn ogen op naar Holden en kom een beetje overeind uit mijn onderuitgezakte houding. Ik had niet eens gemerkt dat hij was opgestaan. ‘Wat?’
    Holden kijkt op me neer en knikt naar wat er nog over is van mijn ijskoffie. Nog maar een klein slokje. ‘Wil je er nog een?’ herhaalt hij.
    ‘O,’ zeg ik. ‘Nee, dank je. Ik hoef niks meer.’
    Als hij zich omdraait en naar de toonbank loopt om misschien wel voor de vijfde keer vanavond iets te bestellen, wrijf ik met mijn hand over mijn gezicht, en pas als het al het te laat is schiet me te binnen dat ik twee dikke lagen mascara op heb. Ik vloek zachtjes, pak mijn telefoon van het tafeltje en open de camera. Mijn ogen zijn omringd door zwarte vegen. Ik pak een servetje en doe mijn best om de zooi die ik ervan heb gemaakt weg te vegen, maar het wordt er alleen maar erger van.
    Will lacht hardop en ik werp hem een boze blik toe vanaf mijn kant van het tafeltje. Hij zit te kauwen op het rietje van zijn chocoladeshake, maar duikt snel weg als ik mijn servetje tot een bal knijp en naar zijn kop smijt. ‘Het lijkt wel of je een enorme kater hebt,’ zegt hij als hij weer rechtop zit en zijn haar uit zijn ogen schudt. Ik weet niet meer wanneer hij voor het laatst naar de kapper is geweest, maar het wordt hoog tijd.
    ‘Ik ben gewoon moe.’ Ik zucht en richt mijn aandacht op alle troep die zich op ons tafeltje heeft verzameld. Het enige wat we doen op zondagen, is eten en drinken, alleen maar omdat er verder niks te doen is in dit dorp. Er staan minstens zes lege bekers, waarvan er drie van mij zijn, de meeste voedselverpakkingen zijn van Holden en de ijsbekertjes van Will.
    ‘Heb je gezien wie hier ook is?’ vraagt Will op gedempte toon. Hij buigt zijn hoofd, leunt een beetje naar me toe over het tafeltje en werpt onopvallend een veelzeggende blik over mijn schouder. ‘Ik geloof dat dit de eerste keer is dat ik haar ergens buiten school zie.’
    Langzaam verschuif ik op de bank en ik kijk snel even achterom. Ik zie haar onmiddellijk: Daniëlle Hunter.
    Ze zit aan een tafeltje vlak bij de deur met haar handen om een beker gevouwen, haar zwarte haar valt als een gordijn voor haar ogen. Ze is met drie andere meisjes, die druk in gesprek zijn, maar Daniëlle staart zonder iets te zien naar de tafel alsof ze zich totaal niet bewust is van haar omgeving. Terwijl ik haar vanaf de andere kant van de hamburgertent bestudeer, voel ik een brok in mijn keel. Het verrast me dat ik haar hier zie. Ze gaat zelden ergens naartoe. Niemand ziet Daniëlle Hunter tegenwoordig behalve op school.
    ‘Goh,’ mompel ik als ik me weer naar Will omdraai, ‘dat is nieuw.’ Ik werp nog een snelle blik op Daniëlle en voel me ongewoon nerveus. Ik heb haar al heel lang niet gesproken, dus hoop ik vurig dat ze me niet ziet, maar het valt me op hoe eenzaam ze lijkt.
    Pas als Holden zich met nóg een burger – zijn derde die avond – naast me op de bank laat glijden, richt ik mijn aandacht op iets anders. Het rugbyteam heeft gisteren de wedstrijd tegen Pine Creek verloren, dus baalt hij van zijn eigen spel en is hij erg prikkelbaar. Will en ik hebben afgesproken het er niet over te hebben. ‘De laatste, dat zweer ik,’ zegt Holden voor hij een enorme hap neemt en ik werp hem een walgende zijdelingse blik toe.
    ‘Ja hoor,’ zegt Will sarcastisch. Volgens mij vindt hij het leuk om Holden een beetje af te zeiken, maar hij wordt nooit echt gemeen en ik vind het altijd wel grappig als hij dat doet. Hij leunt naar achteren tegen het raam, sluit zijn ogen en draait zijn hoofd van ons af.
    Ik pak mijn telefoon om te kijken hoe laat het is, terwijl Will een beetje zit te doezelen en Holden die smerige burger naar binnen schrokt. Het is net halftien geweest en de manager zal zo wel langs alle tafeltjes gaan om iedereen eruit te schoppen, zodat ze kunnen sluiten. Ik geef Holden een por met mijn elleboog. ‘Laat me er even langs.’ Met zijn burger stevig in zijn hand geklemd schuift hij zijn benen met tegenzin iets opzij, zodat ik er net door kan. Met een zucht geef ik een goedmoedig klapje op zijn bovenarm. ‘En zit jezelf niet zo op te vreten,’ zeg ik, waarmee ik de afspraak tussen Will en mij verbreek. Het rugbyseizoen is pas net begonnen; ik moet er niet aan denken dat Holden de komende maanden elke keer als zijn team verliest zo zit te chagrijnen. Tijdens het seizoen is hij altijd snel geïrriteerd, maar dit jaar lijkt het nog erger dan anders. Hij heeft de hele avond nauwelijks een woord gezegd. ‘Je speelt vrijdag toch tegen Broomfield? Dat winnen jullie geheid!’ verzeker ik hem terwijl ik me langs hem heen wring.
    Holden haalt zijn schouders op. Hij glimlacht zuinigjes naar me. ‘Dat zien we dan wel,’ zegt hij.
    ‘En ík zie dat je je nog steeds zit op te vreten,’ zeg ik en ik werp hem een geërgerde blik toe.
    Will zucht diep en opent één oog, hoewel hij verder geen vin verroert. ‘Broomfield is nou niet bepaald goed, toch? Dan lukt het je misschien wél om een keer een pass te vangen.’ Hij grinnikt en laat zijn oog weer dichtzakken.
    Holden grijpt de gelegenheid aan om zijn tot prop verkreukelde hamburgerwikkel naar hem te gooien, die midden op zijn voorhoofd belandt. ‘Vang deze maar, klootzak!’ zegt hij grijnzend.
    Idioten.
    Terwijl ze achter me zitten te dollen, loop ik naar de wc’s. Nu het bijna tien uur is, wordt het hier steeds leger, hoewel er nog steeds een paar mensen van school rondhangen. Als de manager ons eruit gooit, is de avond afgelopen, dan kunnen we alleen nog maar terug naar huis. Ik glimlach kort naar Jess Lopez en zeg ‘hoi’ als ik langs haar tafeltje kom, maar ze is met een paar meiden die ik niet goed ken, dus blijf ik niet staan voor een praatje.
    Ik loop door naar de wc’s en sluit me op in een van de benauwde hokjes. Als ik op het toilet zit, berust ik in het feit dat de zondag bijna voorbij is en stuur mijn vader een berichtje om te zeggen dat ik binnen een uur thuis ben. Als ik het slot even later opendraai, laat ik mijn telefoon in de achterzak van mijn spijkerbroek glijden en duw de deur met een zwaai open. Mijn hart slaat over als ik opkijk en iemand roerloos voor de wasbakken zie staan. Ik heb niemand horen binnenkomen en zodra ik besef dat het Daniëlle Hunter is, sta ik even aan de grond genageld. Daniëlle staat met haar rug naar me toe, maar haar ogen kijken me aan in de spiegel.
    Ik heb sinds vorig jaar niet meer dan een paar woorden tegen Daniëlle gezegd. Ik heb haar nauwelijks gezien en als ik haar zag, wist ik niet wat ik moest zeggen of doen. Dus zei ik maar helemaal niks. Wat moet je zeggen tegen iemand die rouwt om de dood van haar ouders? Ik weet het niet. Niemand weet het.
    Maar nu kan ik niet gewoon mijn ogen neerslaan en doorlopen, zoals ik anders doe. Plotseling ben ik me er heel erg van bewust hoe klein het hier is en dat ze naar me kijkt met haar blauwe ogen, die nu zo’n sterk contrast vormen met haar nieuwe inktzwarte haar dat het er een beetje vreemd uitziet. Haar gezicht vertoont geen enkel emotie, de blik in haar ogen is leeg. Ik slik moeizaam en schuif langs haar heen naar de wasbak die het verst bij haar vandaan is. Ik draai de kraan open en staar als een robot naar het water dat over mijn handen stroomt. Moet ik iets zeggen? Ik weet dat ik dat moet doen, maar ik weet niet wat en ik weet niet hoe. Mijn wangen voelen warm van de stress terwijl ik met me afvraag of het nu wel of niet het juiste moment is om eindelijk iets tegen haar te zeggen. Dat heb ik altijd gewild, iets tegen haar zeggen, maar het is me nooit gelukt.
    Ik kijk weer naar Daniëlle in de spiegel en zie dat ze nog steeds naar me kijkt. Ik doe het! Ik ga iets zeggen en dat doe ik nu, meteen, zonder er te veel over na te denken! Met alle moed die ik kan verzamelen, dwing ik mezelf Daniëlle rechtstreeks aan te kijken. Ik forceer een glimlach die er normaal en oprecht uit moet zien, maar ik doe te hard mijn best – en zie dat ze dat doorheeft. ‘Hoi, Danie,’ zeg ik. Alleen al het uitspreken van haar naam bezorgt me kippenvel. ‘Het is echt fijn om je hier te zien.’
    Daniëlle knijpt haar ogen tot spleetjes en kijkt me aan; mijn glimlach sterft langzaam weg omdat ik weet dat ze ziet hoe ik me werkelijk voel. Ik kijk naar haar zoals de meeste mensen naar haar kijken: vol medelijden. Ondanks een zweem van verbazing in haar ogen omdat ik iets tegen haar heb gezegd, zegt ze niets terug. De frons tussen haar wenkbrauwen trilt niet eens als ze zich weer naar haar spiegelbeeld keert en haar handen op de rand van de wasbak drukt.
    Dat ze zwijgt, is erger dan elke andere reactie, ik word er heel onzeker van en weet niet wat ik nu verder moet. Ik heb gedaan wat ik vond dat ik moest doen – haar zeggen dat ik het fijn vind om haar hier te zien. Dat is wat er van me wordt verwacht, lijkt me, maar ze schijnt het niet te waarderen. Haar gezichtsuitdrukking is zo nietszeggend, zo leeg. Er valt helemaal niets uit af te lezen.
    Het is een afgrijselijk jaar geweest voor de Hunters, en heel Windsor weet dat. Ik heb gezien hoe drastisch Daniëlle is veranderd, hoe gebroken ze was, hoeveel impact de dood van haar ouders op haar heeft. Ik herinner me haar toen haar haren drie keer zo lang waren als nu en het in blonde lokken over haar rug danste, ze altijd blozende wangen had en bekendstond om de hardste lach van de hele school. Ze is niet hetzelfde meisje als een jaar geleden, maar dat is niet zo gek. Niemand is de tragedie vergeten die de Hunters is overkomen en niemand weet hoe om te gaan met degenen die zijn achtergebleven. Ik al helemaal niet.
    En wat het nog erger maakt: ik ontloop niet alleen Daniëlle al een jaar, maar ook haar broer, Jaden, de andere helft van de Huntertweeling, die nog steeds naar me lacht als hij me ziet. Jaden, bij wie ik niet durf stil te staan om iets tegen hem te zeggen. Jaden, bij wie ik niet meer weet hoe ik me moet gedragen. Jaden, van wie ik vrees dat hij net zoveel is veranderd als zijn zus. Ik kan mezelf er niet toe brengen om bij een van hen in de buurt te komen. Ik kan mijn angst dat ik het verkeerde zeg niet overwinnen. Ik kan niet aanzien hoe verwoestend het verlies voor hen is. Niet dat ik dat niet wil. Mijn god, ik wil niets liever! Maar ik kán het gewoon niet…
    Met druipende handen draai ik de kraan dicht en veeg ze snel droog aan mijn spijkerbroek. Haastig werp ik nog een blik naar Daniëlle, hoewel ik haar niet meer echt in de ogen kan kijken. Die lijken zo op die van Jaden. Ze heeft nog niets gezegd en het moment waarop ze dat had kunnen doen, is voorbij, dus weet ik dat ík iets moet zeggen. Ik voel me zenuwachtig bij de gedachte iets over haar tweelingbroer te zeggen, maar ik slik mijn angst in en mompel zachtjes: ‘Hoe gaat het met Jaden?’
    Ik weet niet hoe het met Jaden gaat omdat ik het nooit heb gevraagd, hoewel ik besef dat ik dat had moeten doen. Ik ben bang voor een ander antwoord dan ‘oké’ of ‘goed’. Daarom wacht ik met ingehouden adem, mijn wenkbrauwen gefronst uit medeleven.
    Daniëlle buigt onmiddellijk haar hoofd en haar pony valt voor haar ogen. ‘Waarom vraag je dat?’ reageert ze zacht en de afwerende toon waarop ze het zegt, maakt me nog verder van streek. ‘Dat kan je toch niks schelen.’
    Ik staar haar aan, verbijsterd door haar woorden. Een jaar geleden waren Daniëlle en ik vriendinnen. Ze maakte altijd grapjes dat we technisch gezien zusjes zouden zijn als Jaden en ik zouden trouwen en dat ze altijd een zusje had gewild. Daar heb ik ook altijd van gedroomd, maar ik heb het nooit tegen haar gezegd. ‘Danie…’
    ‘Want als het je wel iets had kunnen schelen,’ zegt ze terwijl ze zich naar me toe draait, ‘had je dat een jaar geleden gevraagd, toen…’ Haar stem sterft weg, maar ik weet wat ze wilde zeggen. Ze wilde zeggen dat ik als ik iets om hen had gegeven, al een jaar geleden had gevraagd hoe het met hen ging, toen hun ouders omkwamen.
    ‘Danie…’ Ik schud mijn hoofd en doe een stap naar haar toe. Het allerlaatste wat ik vanavond had verwacht, was een confrontatie met Daniëlle Hunter in de toiletten van de Dairy Queen. ‘Je weet dat het me wél kan schelen.’
    ‘Dan heb je een rare manier om dat te laten blijken, MacKenzie,’ reageert ze op een iets toegeeflijkere toon. Ze keert zich weer naar de spiegel, strijkt haar pony uit haar ogen en pakt de deurklink. Maar voordat ze weggaat, blijft ze nog even staan. Ze kijkt me aan over haar schouder en mompelt: ‘Ik zeg wel tegen Jaden dat je het vroeg.’
    Op dat moment, terwijl ik Danie nastaar en haar woorden in mijn hoofd nagalmen, voel ik me ongelofelijk klein. Ik weet niet waarom dit me verbaast. Ik had echt niet verwacht dat ze net zo tegen me zou doen als vroeger, want ik doe ook niet tegen haar zoals vroeger, maar ik denk dat het dit is waarvoor ik zo bang was en waarom ik zo opzag tegen dit moment. Ik wist vanaf de eerste seconde dat ik besloot de Hunters te ontlopen dat het nooit meer hetzelfde zou zijn tussen ons. Maar ik had geen keus.
    Ik wil niet dat Holden en Will zich afvragen waar ik blijf, dus ik adem diep in, doe de deur open en loop terug naar ons tafeltje. Bijna iedereen is nu weg, maar Danies groepje is er nog, hoewel ze opstaan om te vertrekken. Ik geef Holden een duw zodat hij verder over de bank schuift en ik naast hem kan gaan zitten. Mijn gezicht brandt.
    Het moet duidelijk te zien zijn dat ik me ongemakkelijk voel, want Will schiet onmiddellijk rechtop. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ vraagt hij.
    ‘Ik heb Daniëlle net gesproken,’ zeg ik fluisterend. ‘De eerste keer sinds…’ Ik kan het niet hardop zeggen. Ik kijk snel van de een naar de ander en probeer hun reactie te peilen. Holden fronst zijn voorhoofd en schuift bij me vandaan, hij leunt tegen het raam en richt zijn aandacht op de parkeerplaats, terwijl Will nieuwsgierig lijkt.
    ‘Je hebt haar gesproken?’ vraagt hij, blijkbaar om te controleren of hij me goed heeft verstaan.
    ‘Ik moest wel! Toen ik uit de wc kwam, stond ze recht voor mijn neus!’ Ik zet mijn ellebogen op tafel, verberg mijn gezicht in mijn handen, knijp mijn ogen stijf dicht en laat een zachte kreun ontsnappen. Als ik iets niet had verwacht vanavond, was het Daniëlle Hunter tegenkomen en al helemaal niet dat de wc’s van de Dairy Queen de plek zouden zijn waar ik haar voor het eerst sinds al die tijd weer zou spreken. Had ik maar meer gezegd – of in elk geval iets anders. ‘Ze haat me, ik weet het zeker,’ mompel ik vanachter mijn handen.
    ‘Tja…’ mompelt Will. Hij zegt het langzaam en ik zie door mijn vingers dat hij er bedachtzaam bij kijkt. Ik til mijn hoofd langzaam op en haal mijn handen weg om hem aan te kijken. ‘Je kunt niet echt van haar verwachten dat ze je niet…’ gaat Will verder. ‘Ik bedoel, ze weet tenslotte niet waaróm je niet meer met haar omgaat.’
    ‘Daar heeft Kenzie toch niks aan,’ valt Holden uit terwijl hij zijn gezicht met een ruk naar me toe draait. ‘Ja, ze ontloopt haar, maar dat doet zowat iedereen. En ze doet het niet uit wreedheid of zo.’ Hij kijkt me van opzij aan, op zoek naar bevestiging. ‘Soms kan je nou eenmaal niet anders. Toch, Kenzie?’
    Ik kan alleen maar knikken.
    Voordat Will of Holden nog meer kan zeggen, staat de manager opeens als uit het niets naast ons tafeltje. We worden beleefd verzocht te vertrekken omdat ze willen schoonmaken voordat ze over tien minuten sluiten. Ik kijk om me heen en ik besef dat we nog de enige klanten zijn.
    We pakken onze rotzooi van de tafel, gooien die in een vuilnisbak en gaan naar buiten, waar Wills helderrode Jeep Renegade op de parkeerplaats staat. Hij heeft hem die ochtend laten nakijken, dus glimt de auto ons onder de straatlantaarns tegemoet. Holden rolt met zijn ogen terwijl we erheen lopen. Wills ouders zijn nogal rijk, terwijl die van Holden in de schulden zitten. Afgelopen herfst hebben ze zijn auto verkocht, zodat hij nu van Will afhankelijk is, net zoals ik. Hoewel ik soms de auto van mijn moeder mag lenen, maar dat is toch iets anders.
    Ik roep: ‘Ik ga voorin!’ klim snel op de passagiersstoel en smijt het portier achter me dicht voordat Holden erover kan ruziën. Zijn boze frons wordt dieper, dus ik steek mijn tong naar hem uit terwijl Will op de bestuurdersplaats glijdt. Mijn hand gaat automatisch naar de verwarming, om die hoger te zetten. Het is september, de herfst is op komst en de avonden beginnen langzaamaan killer te worden. Holden gaat op de achterbank zitten, maar omdat hij ruim één meter tachtig is, moet hij zelfs in zo’n enorme auto als deze een beetje in elkaar duiken. Ik vind het altijd supergrappig om te zien dat zijn hoofd het dak raakt.
    Er is weinig meer te doen in Windsor op zondag om deze tijd. Bijna alles is dicht, de meeste mensen zitten thuis. De nachten worden koud en donker. De volgende dag moet iedereen weer naar school of naar het werk. Maar we maken nog een klein ritje door het dorp, langs de winkels en fastfoodtentjes in de hoofdstraat en verder naar het open veld aan de rand van Windsor. Dan vraagt Will of het goed is dat hij ons naar huis brengt.
    Iets voor elven zet hij mij als eerste af en ik zeg ‘tot morgen’, omdat Will ons dan weer komt ophalen voor school. Ze vertrekken niet meteen als ik ben uitgestapt, maar wachten tot ik de voordeur openduw en zoals gewoonlijk naar hen zwaai, waarna ze wegrijden en ik Holdens muziek na een tijdje niet meer hoor.
    In plaats daarvan hoor ik mijn ouders. Papa’s stem voornamelijk. Ze maken ruzie op die kalme, behoedzame manier zoals ze dat doen wanneer ze niet echt kwaad zijn, maar meer bezorgd. Een gedempt verschil van mening, iets wat me te bekend voorkomt in dit huis.
    Ik schop mijn schoenen uit bij de deur, draai die op het nachtslot en loop over de zachte vloerbedekking in de hal naar de woonkamer, waar de hoogtepunten van de superbowl met het geluid zacht over het tv-scherm rollen. Mama zit stijf rechtop op de rand van de bank, haar ogen moe en weggezonken in hun kassen, haar dunne lippen stevig op elkaar geklemd. Ze heeft haar trainingspak aan, haar haar strak naar achteren gebonden en haar make-up al verwijderd – niet ongewoon voor dit tijdstip op een zondag. Papa staat tegenover haar aan de andere kant van de kamer. Op de salontafel tussen hen in staat een leeg wijnglas met een spoor lippenstift langs de rand. Ik weet dat mama een glas Chardonnay inschonk voordat ik wegging, uit een fles die ze net geopend had. Ze beloofde dat het haar eerste en laatste glas zou zijn voor vandaag. Maar dat zegt ze altijd alleen maar en papa heeft de lege fles in zijn hand om dat te bewijzen.
    ‘O! MacKenzie!’ zegt hij terwijl hij zijn adem laat ontsnappen. Alsof ik die fles niet allang heb opgemerkt, verbergt hij hem achter zijn rug. Hij fronst zijn voorhoofd. ‘Ik heb je niet horen binnenkomen.’
    Ik werp hem een glimlachje toe maar zeg niets, omdat mijn aandacht naar mijn moeder gaat. Mijn lengte heb ik van mijn vader, maar voor de rest lijk ik precies op haar. We hebben dezelfde donkerbruine ogen, hoge jukbeenderen en sterke kaaklijn. ‘Ik ga naar bed, mam,’ zeg ik zachtjes terwijl ik op de vloer naast haar neerkniel en haar lief aankijk. Ze is niet dronken. Nee, niet na één fles, dat is tegenwoordig niet genoeg, maar die akelige verstarde grijns op haar gezicht heeft ze alleen als ze een paar glazen op heeft. ‘Misschien moet jij ook gaan?’ opper ik terwijl ik haar hand pak.
    Mama staart naar de vloer, roerloos, en slaat dan haar zware oogleden op naar papa – ze kijkt hem aan alsof het zíjn fout is, alsof híj die fles heeft opengemaakt. Dan ontspant ze wat, zucht diep en knikt terwijl haar bruine ogen de mijne ontmoeten.
    Ik sta op en trek haar mee, onze vingers in elkaar verstrengeld. Haar hand is warm, er zijn een paar nagels afgebroken. Ze doet geen moeite meer om ze netjes te verzorgen. Papa kijkt naar me met een dankbare uitdrukking op zijn gezicht, maar zijn ogen zeggen iets anders. Ze staan vol spijt, bijna schuldig. Ik gebaar met mijn vrije hand dat het goed is en neem mama mee de woonkamer uit en de gang door naar hun slaapkamer. Als ik daar het licht aanknip, bekijk ik knarsetandend de puinhoop: een stapel schone was die op de vloer is gevallen en niet is opgeraapt, het bed dat niet is opgemaakt en de gordijnen die dicht zijn en waarschijnlijk de hele dag niet open zijn geweest. Meestal beschouw ik het als een goede dag als deze kamer wat licht heeft gezien.
    Mama gaat op de rand van het bed zitten, maar de waterige glimlach die ze me ter geruststelling toewerpt, vermindert mijn ergernis nauwelijks. ‘Ik heb maar een paar glaasjes gehad,’ zegt ze en ze slaat haar ogen ten hemel. ‘Je vader overdrijft.’
    Ik ben het niet met haar eens en ik geloof evenmin dat ze maar een paar glazen op heeft. Maar dat zeg ik niet. Ik begin de kleren van de vloer op te rapen, vouw ze opnieuw op en berg ze weg. Boven op het ladekastjes, naast de foto van papa en mij van een hele tijd geleden, toen hij nog haar had en ik geen voortanden, staat nóg een wijnglas. Leeg, het ligt op z’n kant, een overblijfsel van gisteren.
    Ik zuig mijn onderlip tussen mijn tanden, buig mijn hoofd en duw de lade langzaam dicht. Mama is opgestaan en schuifelt achter me rond in de kleine kamer, dus pak ik het glas op en draai me om om naar haar te kijken, terwijl ik het glas achter mijn rug houd. Ik forceer een glimlach die de teleurstelling moet verbergen die als een steek door me heen gaat. ‘Ik ben doodmoe, dus zie ik je morgenochtend,’ zeg ik tegen haar. ‘Will haalt me om halfacht op.’
    Mama zegt niets, maar kijkt ontevreden als ze ziet dat ik het glas van het ladekastje heb gestolen. Haar lippen trillen en haar ogen vernauwen zich iets, maar ze doet net of ze niet merkt dat het verdwenen is. In plaats daarvan begint ze traag de kussens op te schudden. Ik loop de kamer uit, trek de deur achter me dicht en laat haar alleen.
    In de gang houd ik het wijnglas tegen het licht om het te bekijken. Mijn hand klemt zo hard om het glas dat ik even bang ben dat het zal versplinteren, maar papa onderbreekt me voordat ik nog harder kan knijpen.
    Hij leunt tegen de deurpost van de woonkamer en hij kijkt schuldig als hij zegt: ‘Geef dat maar aan mij.’ Hij recht zijn rug, komt naar me toe, legt zijn hand over de mijne en haalt het glas uit mijn verstarde greep. Het andere glas, dat uit de zitkamer, heeft hij in zijn andere hand.
    Papa is te jong om al kaal te zijn en hij is ook te jong om al zoveel rimpels te hebben. Maar hij ís kaal en hij hééft veel rimpels en ik haat de verdrietige blik in zijn ogen die hij elke keer heeft als er wéér een glas af te wassen is, omdat die hem nóg ouder maakt. Hij loopt langs me heen naar de donkere keuken en ik blijf staan en wacht op het geluid van de kraan.
    Terwijl het water stroomt en papa mama’s lippenstift van de glazen wast, staar ik naar het haltafeltje. Er staat een foto op van papa en mama op hun trouwdag, een foto van mij op mijn eerste dag op de kleuterschool – met afschuwelijke roze elastiekjes in mijn haar – en nóg een lijstje, lichtroze, in het midden, een lijstje dat nooit stoffig wordt omdat mama het minstens twee keer per dag schoonmaakt. Achter het glas zit een kaartje met vijf roze letters erop, in schoonschrift, krullerig. Vijf letters, dat is alles wat we van haar hebben – haar naam, onze enige herinnering aan haar omdat we de tijd niet kregen er meer te maken.
    Baby Grace, die we nooit hebben leren kennen, maar die we nooit zullen vergeten.
    Daniëlle Hunter mag dan denken dat zij en haar broer me niet interesseren, dat Jaden en zij me niet kunnen schelen, maar dat is niet waar. Ik geef waarschijnlijk meer om hen dan de meeste mensen, maar de waarheid is dat ik bang ben om met hen om te gaan. Bang omdat ik weet hoe groot de impact kan zijn van iemand verliezen, hoeveel verdriet zoiets de nabestaanden doet, hoe het ingrijpt, hoe mensen erdoor veranderen.
    Dat weet ik, omdat ik dat hier, bij ons thuis, heb zien gebeuren.
 

In het diepe

In het diepe

Nieuwe romantische YA van de bestsellerauteur van de #DIMILY-trilogie

Did I Mention I Miss You?

Did I Mention I Miss You?

De explosieve en hart-verscheurende finale van de #DIMILY-trilogie!

Did I Mention I Need You?
Did I Mention I Love You?

Did I Mention I Love You?

18-jarig YA-fenomeen verovert de wereld met romantische #DIMILY-trilogie